Esperanto : 2009 | 2010 Nederlands : 2009 | 2010 English Als je een opmerking of vraag hebt, stuur het naar marco BIJ hulten PUNT org.
Afgelopen dinsdag was de Piratenpartij in SETUP voor een discussie over onderwijs en zorg. De stellingen over onderwijs gingen over het vrij aanbieden van colleges (via internet) en het gebruiken van computerspellen voor onderwijs. De discussie over zorg betrof octrooien in de zorg. Door de aanwezigheid van niet slechts piraten maar ook enkelen van Lijst 17 en MenS waren de discussies lekker dynamisch en vanuit verschillende invalshoeken belicht. Met name door de discussie over de zorg is mij inzicht verschaft in de huidige kromme situatie van de farmaceutische industrie.
Momenteel is het ontwikkelen van medicijnen gedreven door marktwerking. Dat wil zeggen dat de farmaceutische industrie alleen medicijnen ontwikkelt die winstgevend zijn. Nu wil ik hier niet ingaan of marktwerking bij medicijnen gewenst is en of er überhaupt een goede klassieke marktwerking (vraag en aanbod) binnen de huidige farmaceutische industrie van kracht is. Laat ik dus aannemen en mij erbij neerleggen dat een marktwerking hiervoor bestaat. Nu, hoe zorg je als farmaceutisch bedrijf ervoor dat je heel veel winst kunt maken op medicijnen? Deze moet je octrooieren. Dan heb je alleenrecht op het medicijn en kun je die voor een groot veelvoud van de productiekosten verkopen. Medicijnen zijn dus veel duurder dan nodig is en zodoende is zorg heel duur en bovendien gaan veel meer mensen dood dan nodig is (met name in minder rijke landen). Tot zover de redelijk bekende argumentatie tegen octrooien op medicijnen.
Iemand van de Partij voor Mens en Spirit (MenS) merkte op dat effectieve alternatieve geneeswijzen ook gedekt moesten worden door de zorg. Ik geloof zelf in de wetenschappelijke methode en hierdoor neig je snel een sterke voorkeur voor reguliere medicijnen te ontwikkelen boven alternatieve geneeswijzen. Hoe kun je weten welke alternatieve medicijnen onzin zijn en welke zinvol? Er wordt door de farmaceutische industrie niet veel onderzoek naar gedaan, omdat er geen winstgevende medicijnen uit gehaald kunnen worden, werd door verschillenden opgemerkt en goed uitgelegd door Joeri. Medicijnen zijn ook vaak niet geneesmiddelen, maar symptoombestrijdende middelen, wat het vaak nog meer winstgevend maakt.
Jorrit merkte op dat zijn favoriete alternatieve geneesmiddel water is. Hij zweert bij het drinken van ruime hoeveelheden van deze heerlijke substantie, ik ook overigens. Gezien de gezonde effecten van water zover ik weet niet door "hoog aangeschreven" onderzoeksinstanties zijn bewezen (lack of evidence), is het gebruik van ruime hoeveelheden water een alternatieve geneeswijze. De reden dat dit niet door de farmaceutische industrie wordt onderzocht, is dat het geen medicijn oplevert dat je kunt octrooieren (en het is dus nooit extreem winstgevend zoals veel andere medicijnen dat wel zijn). (Nee, water kun je gelukkig niet octrooieren.) Natuurlijk is het de taak van de huisarts om water voor te schrijven als dat voldoende zou zijn, maar helaas ontvangen huisartsen bonussen en kortingen van de farmacie waardoor ze bepaalde duurdere medicijnen voorschrijven.
Ik denk dat je deze redenering kunt volgen voor de meeste alternatieve geneeswijzen. Er is geen financiele impuls voor de farmaceutische industrie om onderzoek te doen aan alternatieve geneeswijzen.
Hieraan zit weer de discussie over het al dan niet verzekeren van alternatieve geneeswijzen gekoppeld. Ik ben niet voor het verzekeren van geneeswijzen die niet wetenschappelijk zijn getoetst, maar als er uit serieuze onderzoeken blijkt dat het iets werkt, ben ik daar wel voor. Deze ongeljike behandeling tussen normale medicijnen en alternatieve geneesmiddelen is niet eerlijk en dat komt voor het grootste deel door het huidige octrooisysteem.
Farmaceutische multinational Glaxo besloot vrije toegang tot enkele potentiële geneesmiddelen voor malaria te bieden, dat wil zeggen de octrooien (patenten) op deze geneesmiddelen. In Wall Street Journal noemen ze het een Linux benadering. Dit is zeker verkeerd geformuleerd, op meerdere manieren. Hoewel ze de terminologie Linux operating system gebruiken, bedoelen ze eigenlijk GNU/Linux. Hiernaast gebruiken ze de term open-source in plaats van free software (vrije software). Dit soort taalgebruik zie je veel tegenwoordig. Als mensen precies weten wat er mee bedoeld wordt, is het misschien niet zo relevant. Men weet welke software wordt bedoeld wanneer de term open-source of vrije software wordt gebruikt en omdat de verzameling OSI-goedgekeurde licenties bijna hetzelfde is als de verzameling FSF-goedgekeurde licenties, is deze software ook grotendeels hetzelfde.
Echter, dit soort taal negeert belangrijke kwesties, namelijk die van vrijheid. Het GNU-systeem (wat vaak Linux wordt genoemd) was oorspronkelijk gemaakt met als doel dat gebruikers vrij zouden zijn om software te gebruiken, aan te passen en te herdistribueren, zonder obstructies, en dit is nog steeds het doel, het centrale idee, van vrije software. Dit is waarom het zo belangrijk is om de termen vrije software en GNU/Linux te gebruiken.
Het lijkt erop dat ik afdwaal... maar dat is niet zo. Ook in het geval van octrooien is het belangrijk dat mensen de vrijheid hebben om op basis van het gedane onderzoek afgeleide uitvindingen kan maken. Een tijdelijke monopolie op een uitvinding, met het de intentie deze te ontwikkelen voor de maatschappij, is moreel toegestaan onder bepaalde voorwaarden. Op deze manier voelen uitvinders de drang (een financiële stimulans) om meer uitvindingen te produceren en ook om deze te ontwikkelen en publiek te maken (door middel van octrooi-registratie). Maar er zijn bepaalde zaken waar geen octrooi op aangevraagd zou mogen worden zodat een enkel bedrijf een monopolie op dat octrooi heeft. Eén zo'n soort uitvinding is die van medicijnen.
Echter, op dit moment is het toegestaan medicijnen te octrooieren. Zolang er geen wetgeving is tegen dit soort immorele praktijken, moeten we kijken of we er op een andere manier iets aan kunnen doen. Glaxo heeft een eerste stap in de juiste richting gezet om de respect van de gemeenschap terug te verdienen. De medicijnen die zij hebben bevrijdt van het standaard octrooirecht (zo blijkt) kan nu ook worden gebruikt door andere farmaceutische bedrijven ten bate van de ontwikkeling van afgeleide medicijnen... maar waarschijnlijk zonder deze afgeleiden vrij te maken! In het artikel van de Guardian kan ik niets vinden dat erop duidt dat ze over dit probleem hebben nagedacht. Misschien hebben ze er wel degelijk over nagedacht, maar willen ze dat voor andere medicijnen gebruiken (bijv. tegen HIV). Is er een oplossing voor dit probleem? Jazeker, die is er.
In het artikel van de Wall Street Journal zouden niet alleen de termen Linux en open-source moeten zijn gebruikt, maar het zou ook duidelijk moeten hebben gemaakt dat auteursrecht iets anders is dan octrooirecht. Auteursrecht wordt gebruikt voor vormen van kunst, terwijl octrooien alleen voor uitvindingen zijn bedoeld. Maar het zette mij wel aan het denken over zekere aspecten van vrije software en vrije patenten. In de vrije software-wereld wordt het concept copyleft gebruikt, wat een draai geeft aan copyright (auteursrecht). Copyleft gebruikt auteursrecht om te zeggen tegen de gebruiker dat ze de software mogen gebruiken, wijzigingen mogen aanbrengen en herdistribueren, mits ze dit werk en afgeleide werken herdistribueren onder deze zelfde voorwaarden. Zoiets zou ook moeten bestaan voor octrooien op medicijnen. Dan zou zo'n uitvinding vrij mogen worden gebruikt door iedereen, zolang afgeleide uitvindingen ook vrij zijn op dezelfde wijze. Bovendien mogen ze geen handelsgeheimen zijn en de licentie is niet te herroepen.
Zolang octrooien op medicijnen zijn toegestaan door overheden, is dit een goede manier om meer en meer medicijnen beschikbaar te maken voor lage kosten, zodat iedereen ze kan betalen. Bovendien kan dit soort octrooi-licenties gebruikt worden voor alle soorten uitvindingen. Maar laten we er eerst voor zorgen dat iedereen goedkoop medicijnen kan kopen.
Gisterenavond vulde ik de Kieskompas van de VU in. Het resultaat is mij onbekend omdat aan het einde bleek dat hier niet-vrije software voor nodig was: Flash. De proprietary webapplicatie werkte jammergenoeg niet met een recente versie van swfdec, een vrije Flash-speler. Dit is niet verrassend, gezien Adobe de specificatie van Flash niet publiek heeft gemaakt. Vanzelfsprekend was het frustererend dat ik de tijd heb genomen om de dertig vragen in te vullen om maar niet te kunnen zien in hoeverre ik links of rechts, en progressief of conservatief ben en welke partijen dicht en ver van mijn politieke voorkeur liggen. Maar het belangrijkste aan deze hele zaak is het feit dat mij en andere vrije software-gebruikers niet de mogelijkheid wordt gegund dit Kieskompas in te vullen.
Vanavond ga ik het proberen met de recentste versie van Gnash en volgt een uitgebreide update en vertaling naar het Esperanto van deze weblogbewerking.
Update: Een dag later en onvertaald volgt bij deze een update. Gnash 0.8.7 (de nieuwste versie) werkte evenmin met dit Kieskompas. Het is bedroevend dat niemand van de mensen die betrokken waren bij het maken van die website heeft laten merken dat er iets fout is met de implementatie. Het is immoreel om Nederlandse burgers te dwingen niet-vrije software te gebruiken. Ik zwicht dan ook niet om alsnog niet-vrije software te installeren.
Maar het is zo zonde dat mensen zoals ik niet de resultaten van de test kunnen zien of onze principes moeten laten varen. Het is namelijk een zinvolle verfijning die de politicoloog André Krouwel maakt op het politieke spectrum. De politieke ruimte wordt meestal eendimensionaal voorgesteld, van links naar rechts. Links staan dan partijen zoals GroenLinks en SP en rechts staan partijen zoals de VVD. De partijen D66, CDA en SGP zijn allemaal redelijk "midden", maar duidelijk erg verschillend. D66 is erg progressief, terwijl SGP extreem conservatief is. Dit is wat Krouwel en anderen in een tweedimensionale politieke ruimte hebben gebracht en is een grote vooruitgang op het klassieke beeld van één lijn:
Maar waarom hier stoppen? Het politieke spectrum zal toch veel groter (meer-dimensionaal) zijn? En waarom dit specifieke onderscheid? Op The Political Compass wordt een andere 2D-ruimte gebruikt. Hier wordt onderscheid gemaakt tussen een sociale schaal (autoritair/liberaal) en een economische schaal (links/rechts):

De vraag blijft hier of dit onderscheid typisch te gebruiken valt voor de Nederlandse politiek. Ik denk van wel. Zo valt bijvoorbeeld de PVV in het eerste kwadrant, GroenLinks in het derde en de CDA in het vierde kwadrant. Wat verder interessant is aan deze politieke ruimte is dat je deze kan herparametriseren om de conservatief/progressief-schaal uit de Krouwel-ruimte terug te krijgen. Een plan van aanpak is de volgende:
Beschouw een politieke context, een ruimtetijd-gebied (bijv. Nederland, 2010). Transleer nu de oorsprong van de politiek-ruimte van The Political Compass zodanig dat het midden van beide schalen de huidige politieke situatie voorstelt. Op lineaire transformaties na stelt de afstand tot dit midden een neiging van verandering voor. Om dit beter te kwantiseren, gaan we nu over op poolcoordinaten en de straal r geeft de mate van progressiviteit aan. De hoek φ geeft dan in één dimensie het politieke spectrum van The Political Compass weer. Ik betwijfel of deze laatste grootheid zinvol is, maar laten we ons richten op de progressiviteit r. Dit zal vast niet onmiddelijk kloppen. Zo zal één eenheid naar rechts t.o.v. het midden in de economisch-sociale-ruimte wellicht minder op progressiviteit duiden dan één eenheid naar links, maar desalnietemin verandering die volgens de partij die op die plek staat vooruitgang aangeeft, dus progressiviteit. Daarom is een algemenere affiene transformatie nodig, alvorens op poolcoordinaten over te gaan, in ieder geval een herschaling van r en φ. (Natuurlijk kun je ook slechts één niet-affiene transformatie in een keer uitvoeren, maar voor inzicht lijkt het mij zinvol de twee transformaties apart uit te voeren.)
Interessant allemaal, maar als dit soort ideeën worden geïmplementeerd in zoiets als Kieskompas, graag wel alsjeblieft zonder het ontnemen van de vrijheid van de burger.
Er is een nieuwe minister nodig in Nederland, namelijk een Minister van Automatisering en Informatica, welke formeel zou kunnen vallen onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hieronder geef ik drie redenen.
Het is gebruikelijk dat IT-projecten van de overheid meer geld kosten dan begroot is, terwijl het resultaat meestal rampzalig is, waardoor er nog meer geld nodig is.
In 2002 was de motie-Vendrik aangenomen, welke tot doel had in te grijpen in de slecht werkende Nederlandse softwaremarkt door in de publieke sectoren vrije software en open normen in te voeren. In de motie wordt gesproken over "opensourcesoftware" en "open standaarden", wat respectievelijk een onzuiver doel aangeeft en een slecht gekozen term is. Maar de intenties van motie-Vendrik zijn goed en deze motie zou al lang geïmplementeerd moeten zijn. Pas eind 2007 was een concreet beleidsplan aangenomen. Dit is vijf jaar nadat de Tweede Kamer de motie heeft aangenomen. Ondertussen kan ik in 2010 niets terugvinden van enige implementatie van de motie, op misleidende voorbeelden na. Zo valt het de GNU/Linux- of BSD-gebruikende belastingbetaler misschien op dat bij het starten van het belastingaangifte-programma gemeld wordt dat de software is gebouwd op en met opensourcesoftware. Wat echter niet vermeld wordt is dat de applicatie zelf niet-vrije software is en de specificatie van het protocol waarmee het communiceert met de belastingdienst niet beschikbaar is. Dit gaat recht in tegen de motie-Vendrik, maar bovenal hoort de overheid transparant te zijn en dat wil dus ook zeggen dat zij uitsluitend vrije software en open normen moeten gebruiken.
Op scholen zijn geen goede computerfaciliteiten beschikbaar en over het algemeen wordt er geen goed vak over computers aangeboden. Het gevolg is dat er ook geen docenten informatiekunde komen. (Onder goede computerfaciliteiten en een goed vak informatiekunde valt niet een door incompetente "IT-specialisten" opgezet netwerk van Windows-servers en -clients.) Niet alleen binnen de overheid, maar ook binnen scholen zijn vrije software en open normen nodig. Waar bij publieke instanties open normen vanzelfsprekend (zouden moeten) zijn, is vrije software dat bij scholen. Leerlingen horen software te gebruiken waar ze iets van kunnen leren, en welke ze onder hun controle kunnen hebben. Een bepaald deel van de controle over de systemen moeten vanzelfsprekend bij de IT-afdeling en docenten liggen. Dit alles is alleen mogelijk bij het gebruik van vrije software en open normen. Bovendien zou een goed en rechtvaardig vak informatiekunde, waarbij geleerd wordt over de belangen van softwarevrijheid, een nieuwe generatie mensen in de maatschappij vormen, welke kennis van zowel de techniek als de rechtvaardigheid van vrije software heeft.
Al deze redenen lijken mij meer dan voldoende voor een grote verandering in deze maatschappij. Natuurlijk moet dit van onderaf gebeuren, zoals het vertellen van burgers over vrije software, maar het moet ook van bovenaf komen. Een goed begin is als de overheid een minister aanstelt die zich buigt over deze zaken. De automatisering wordt alleen maar belangrijker in onze samenleving, maar jammergenoeg worden de verkeerde keuzes gemaakt en blijft de kennis van automatisering en informatica achter de implementatie aanlopen.
Nog een paar woorden ter verduidelijking. Automatisering (ICT) en informatica (computer science) zijn twee heel verschillende zaken, nu meer dan ooit. Maar er zijn twee redenen om een minister op deze beide gebieden aan te stellen. Op de eerste plaats is zowel automatisering (denk aan motie-Vendrik en geflopte overheids-IT-projecten) als informatica (denk aan groei van basiskennis en een vak informatiekunde op de middelbare school) zeer belangrijk. Dit zouden dus ook twee verschillende ministers kunnen zijn. Maar op de tweede plaats zou het heel mooi zijn als deze twee vakgebieden dichter bijelkaar komen, zodat automatisering weer een vakgebied wordt waar kennis voor nodig is, die voor de verandering een keer goed gebruikt wordt.
Zowel niet-vrije software (proprietary software, zoals Windows) als gesloten specificaties of normen (closed formats, zoals .DOC) zouden niet moeten worden gebruikt. Maar voor het beargumenteren voor het niet gebruiken hiervan, moeten deze concepten uitelkaar worden getrokken. De eerste is namelijk met name persoonlijk van aard, terwijl voor de tweede sociale aspecten een belangrijke rol spelen. Bij de meeste discussies over softwarevrijheid worden software en normen op één hoop gegooid, waardoor de tegenstanders langs elkaar heen praten.
Andere problemen zijn onwetendheid over vrije software en open normen. Hierbij worden vaak open normen als anti-kapitalistisch beschouwd en vrije software zelf als communistisch. Nu is dit geen essay dat voor of tegen communisme in één of andere vorm pleit, maar ik wil wel duidelijk maken dat deze politieke analogieën fout zijn.
Gesloten specificaties of normen zijn gegevensindelingen zoals .DOC of protocols zoals het MSNM-protocol die niet publiek zijn gemaakt of wiens gebruik op andere manieren beperkt worden door bepaalde personen of bedrijven. Een gevolg is dat er geen vrijheid van informatieuitwisseling is met andere partijen. Dit vormt een sociaal probleem, welke alleen opgelost kan worden door open specificaties te gebruiken. Alternatieven voor bovenstaande voorbeelden zijn respectievelijk .ODT (Open Document) en XMPP (Jabber).
Niet-vrije software is software of programmatuur waarvan de broncode niet geheel vrij mag worden gebruikt. Vaak is zelfs de broncode überhaupt niet beschikbaar. Een gevolg hiervan is dat als je dit soort software gebruikt, je vrijheid verliest. Je hebt zo, volgens de makers van de software, geen recht te weten of onder controle te hebben van wat er op je computer gebeurt. Bovendien kun je de broncode niet veranderen en verbeterde versies herdistribueren aan je buurman. Dit is een inbreuk op je vrijheid van meningsuiting en zou wettelijk bestraft moeten worden. Het al dan niet gebruiken van vrije software is echter op de eerste plaats een persoonlijke aangelegenheid.
Natuurlijk is het gebruiken van niet-vrije software ook een beetje een sociaal probleem, want je gunt op deze manier je buurman, vrienden, familie de software niet die jij gebruikt. Misschien heb je bepaalde software gevonden die je wel mag wijzigen voor jezelf, maar dat je niet de aangepaste versie mag herdistribueren. Dit is duidelijk een sociaal probleem. Maar toch is het anders dan bij de gesloten specificaties.
Het gebruik van gesloten specificaties heeft een directe impact op iedereen waarmee je communiceert. Niet alleen jezelf ontzeg je vrijheid, maar ook van de mensen om je heen. Daarom is het gebruiken van gesloten specificaties in sociaal opzicht veel erger dan het gebruik van niet-vrije software. Voor je zelf is het tweede juist erger, maar dat is tenminste een keuze die je maakt die met name negatieve gevolgen voor jezelf heeft.
Vrije software gebruiken wordt door sommigen gezien als communistisch. Het gebruik van vrije software is echter alleen en juist hetgeen dat je mag verwachten van beschaafde mensen. Het is sociaal naar anderen en bovendien heb jezelf het recht op softwarevrijheid. Dit heeft niets te maken met zoiets politiekgeladen als communisme.
"Open specificaties zijn anti-kapitalistisch", zei iemand mij laatst. Het is immers logisch, werd beargumenteerd, dat als een bedrijf goed wil functioneren, deze zijn "intelectueel eigendom" beschermd. "Zo werkt kapitalisme." Behalve dat er niet zoiets is als "intelectueel eigendom" of dat dat op zijn minst een te vaag begrip is, denk ik dat kapitalisme zo niet werkt, tenminste het hoort niet zo te werken. Deze manier van bescherming zorgt namelijk voor monopolievorming. Neem als voorbeeld Microsoft met hun gesloten specificatie van het MS Word document (.DOC). Zij hebben een monopolie (in enge zin) op de bestandsspecificatie van tekstverwerkers (.DOC), waardoor ze hun monopoliepositie (in brede zin) versterken. Zonder een oordeel te vellen over of kapitalisme in het algemeen goed of slecht is, lijkt het mij duidelijk dat dit niet de bedoeling is. Het alternatief, dat de documentspecificatie open, vrij is, zorgt juist dat er marktwerking mogelijk is. Sun krijgt dan met OpenOffice.org eindelijk een eerlijke positie in de markt. Door het vrij maken van specificaties zorg je voor eerlijke concurentie, een betere marktwerking, en zorg je ervoor dat kapitalisme beter werkt dan het nu doet.
De laatste tijd denk ik na over Esperanto en open standaarden. Dit probeer ik te abstraheren naar ideeën in de bredere context van communicatie. Ik ben overtuigd dat communicatie efficiënter kan en moet. In deze entry van mijn weblog geef ik slechts enkele argumenten waarom Esperanto en open standaarden hierbij helpen. Dus ik laat zien dat communicatie efficiënter kan. Dat communicatie efficiënter moet is, hoe triviaal het op eerste gezicht ook klinkt, een moeilijkere kwestie. Dit zal echter in een essay (work in progress) wel aan bod komen. Eerst leg ik uit wat Esperanto is en waarom het belangrijk is voor goede communicatie. Dan zal ik uitleggen wat open standaarden zijn en waarom deze van belang zijzn. Tenslotte zal ik een voorbeeld geven en komen we tot een algemene these over communicatie en vrijheid.
Esperanto is een internationale hulptaal, ontwikkeld door Lejzer Zamenhof. De maker publiceerde de taal in 1887 onder de pseudoniem Dr. Esperanto, wat later werd overgenomen door de sprekers van de taal als naam hiervoor. Kenmerken van de taal zijn dat deze eenvoudig te leren is en politiek neutraal. Dit geeft dus een ideale basis voor internationale communicatie. Bovendien is de grammaticale opbouw van Esperanto zodanig precies en logisch dat deze taal beter kan worden gebruikt voor het overbrengen van ideeën en het voeren van discussies dan een taal als Engels. De keuze van het Esperanto voor een mensentaal in contexten waar een goede communicatie belangrijk is ligt voor de hand.
Een open standaard is een standaard die publiek beschikbaar is, en vrij gebruikt mag worden. Voorbeelden van open bestandsindelingen zijn HyperText Markup Language (HTML), een opmaaktaal gebruikt voor het World Wide Web, en PDF, een specificatie gemaakt door Adobe en goedgekeurd door de Internationale Organisatie voor Standaardisatie (ISO). Behalve van bestandsindelingen zijn er ook open standaarden voor protocollen voor communicatie. Hieronder vallen onder meer GSM, welke je gebruikt om via je mobiele telefoon te communiceren met anderen en HyperText Transfer Protocol (HTTP), die je computer vertelt hoe bestanden van het World Wide Web moeten worden opgehaald (waaronder HTML-bestanden). Wat belangrijk is om te herkennen in de voorbeelden is dat dit manieren van communicatie betreft. In het geval van bestandsindelingen gaat het om de communicatie tussen de gebruiker en de computer, of eigenlijk een computerprogramma. De gebruiker wil een bestand (bijvoorbeeld "index.html") door zijn computerprogramma (bijvoorbeeld Firefox) wordt weergegeven op zijn monitor. Hiervoor moet het computerprogramma weten hoe dit bestand moet worden weergeven. Daarvoor heeft hij de specificatie van het bestandsindeling nodig. Bestandsindeling moeten daarom dus open zijn.
Hoewel niet in detail onderbouwd, onderschrijft dit het belang van een goede keuze van je communicatiemiddel. Hiermee wordt niet de extra informatie bedoeld die vaak wordt toegevoegd aan de formele essentie van informatie -- de naakte informatie, voor propaganda doeleinden, maar hiermee wordt de vorm bedoeld, welke formeel gezien niet de inhoud van wat je wilt overdragen verandert. Dit gaat dus over de keuze van de mensentaal, medium, bestandsindeling en netwerkprotocol. Deze moeten open of vrij zijn, maar het moet ook een slimme, efficiënte keuze zijn. Om dit te laten zien, sluit ik af met een voorbeeld.
Beschouw vredesonderhandelingen tussen twee of meerder landen met verschillende talen en verschillende platformen en software. De keuze van het uitvoeren van vredesonderhandelingen tussen twee of meer landen met verschillende talen in het Engels en/of een taal waarbij één van de landen in het voordeel is, is geen keuze. Hierbij is Esperanto de enige logische keuze. Als een partij hier niet bij aanwezig kan zijn, is het geen optie om Skype te gebruiken om die partij erbij te hebben. Als het niet fysiek aanwezig zijn van deze partij tot de enige mogelijkheid behoort, moeten open protocollen worden gebruikt, zoals H.323 en SIP, zodat beide partijen de mogelijkheid hebben om zonder problemen te communiceren, en bovendien de mogelijkheid hebben vrije software te gebruiken. Als er uiteindelijk een eerste draft van een vredesverklaring gemaakt wordt of af raakt, verzend deze dan in platte tekst, PDF, RTF of Latex formaat, zodat iedereen dit kan lezen, en als het gevoelige informatie mocht betreffen, versleutel het dan met de vrije software (en open standaard) GPG. Kortom, om een open en vrije samenleving te hebben, is niet alleen de inhoud van hetgeen dat gecommuniceerd wordt van belang, maar moet ook de wijze van communicatie voldoen aan dezelfde hoge eisen die wij ook stellen aan vrijheid en openheid op andere vlakken.